Mandala
Heldere beschrijving van mandala-functie.

Mandala's dienen als hulp bij de meditatie en hebben de betekenis van (a) schematische overzichten van de spirituele wereld en tegelijkertijd van (b) weergaven van de Mahayana-weg naar de verlossing. Bij Indische mandala's domineert opvatting (a). Daarom plaatst men, de inheemse geografen volgend, het oosten aan de bovenzijde van de mandala: de toeschouwer kijkt de opkomende zon tegemoet. Veel Tibetaanse mandala -schilders daarentegen zien betekenis (b) als de belangrijkste en plaatsen het oosten aan de onderzijde: de gelovige volgt op zijn heilsweg de loop van de zon.
De in de mandala optredende godheden kunnen als zodanig afgebeeld zijn of door hun symbolen of kiemsyllaben aangeduid. Uit de honderden mandala's die er bestaan, is hier ter verheldering van de basisprincipes de (vereenvoudigde) Vajradhatu-mandala gekozen.
(a) In het centrum van de mandala bevindt zich de personificatie van de dharmakaya: de oerboeddha (1), die in dit geval Vajrasattva is. Met hem als middelpunt strekken zich in de vier windstreken vier door middel van hun kleur onderscheiden paradijzen uit. Het oostelijke paradijs (wit) is dat van de transcendente boeddha Akshobhya (2), het zuidelijke paradijs (geel) dat van Ratnasambhava (3), het westelijke paradijs Sukhavati(rood) dat van Amitabha (4) en het noordelijke paradijs (groen) dat van Amoghasiddhi (5). Links naast deze boeddha's staan de aan hen toebedeelde transcendente bodhisattva's Vajrapani (6), Ratnapani (7), Avalokitesvara (8) en Visvapani (9). Al deze wezens, zijn op Tibetaanse rolschilderingen vaak nog door hun mystieke 'families' omringd. Ze leven in het sanctuarium, dat door de aan een tempelplattegrond ontleende binnenste omtreklijn (13) aangegeven wordt. Buiten het sanctuarium, in het 'paleis' (14), wonen de aardse boeddha's (10) en de poortwachters (11). De laatsten zijn vaak godheden uit de volksreligie, die in het boeddhisme geïncorporeerd zijn.
(b) Als weergave van de heilsweg moet de mandala van buiten naar binnen worden 'gelezen'. Aangelokt door de uit het paleis weerklinkende stem van een aardse boeddha (10), die hem over de weg naar de verlossing onderricht, gaat de heilszoeker eerst door de kring van louterende vlammen (17) en dan door de vajra-kring der initiatie (16). Zijn geestelijke hergeboorte wordt door de lotuskring (15) gesymboliseerd. Hij komt nu voor één der boogvormige poorten (12) te staan, waar hij zich tegenover de poortwachter (11) moet verantwoorden over zijn levenswandel. Als een hinderlijke rest karma het binnentreden van het boeddhaparadijs in de weg staat, dan neemt de bevoegde transcendente bodhisattva (6-9) deze last van hem af. Daarop heet de transcendente boeddha (2-5) hem welkom in zijn rijk. Ongestoord door wereldse invloeden rijpt hij hier tot verlichting, tot wijsheid, tot besef van het absolute. Door de mystieke eenwording met de oerboeddha (1) bereikt hij tenslotte nirvana.
Schumann, H.W.: Boeddhisme; stichter, scholen en systemen.
Nieuwerkerk 1996






