Touching enlightenment

02-04-2011

Boekbespreking door André van der Braak.

Touching-enlightenment.jpg

Reginald A. Ray: Touching enlightenment; finding realization in the body.
Boulder, 2008


Bij het thema 'Zen en de natuur' krijg ik in eerste instantie allerlei associaties met mooie haiku's over het bleke maanlicht, het kabbelende beekje en de ruisende bladeren. Zen en de natuur lijken een vreedzame harmonie te vormen. De Amerikaanse boeddhistische leraar Reginald Ray heeft echter een andere opvatting over de natuur.

In zijn boek Touching Enlightenment deelt Ray zijn ervaringen met leerlingen. Hij geeft al tientallen jaren les in het Tibetaans boeddhisme. Vaak beginnen westerlingen enthousiast aan hun boeddhistische beoefening, en de eerste twee jaar lukt het ze om meer openheid en rust in hun leven te realiseren. Maar na twintig of dertig jaar mediteren ontdekken ze vaak dat ze (letterlijk!) een beetje vast zijn komen te zitten. De verlichting lijkt dan ver weg, hetgeen soms tot de verzuchting leidt 'waarom mediteer ik eigenlijk?'

Ray ziet ook om zich heen dat veel westerse beoefenaars van het Tibetaans boeddhisme zich opsluiten in een ideologische luchtbel, waarin ze de houding en de waarden van hun Tibetaanse leraren nabootsen. Ze zijn gedomesticeerd en lopen aan de leiband van hun lama. Volgens Ray verkeren ze, ondanks jarenlange meditatie, in een permanente staat van spirituele en emotionele onvolwassenheid. Hoe komt dat?

Volgens Ray hebben we in het Westen het contact verloren met de oorspronkelijke inspiratiebron van het boeddhisme: de natuur. Maar dan niet de natuur van de kabbelende beekjes, maar de ontzagwekkende en soms beangstigende natuur van het oerwoud, de jungle, de wildernis. Het boeddhisme is ontstaan door de bosyogi's die huisje-boompje-beestje ontvluchtten en zich in het woud terugtrokken. Het woud werd beschouwd als een plek voorbij de cultuur en de instituties, een wildernis waar je wilde dieren, goden en demonen tegen kon komen. In de Indiase cultuur werd de wildernis beschouwd als de perfecte plek om te beoefenen, omdat er geen regels bestaan en geen autoriteiten.

De enige autoriteit is de chaos van de wildernis zelf. Herinneringen uit het verleden en plannen voor de toekomst hebben hier geen plek. In die wildernis kom je je eigen innerlijke wildernis tegen, je demonen, en ontdek je waar je werkelijk van gemaakt bent. Vandaag de dag kunnen we niet meer naar die wildernis toe, zegt Ray. Het woud is verkocht aan de projectontwikkelaars, er worden wegen door afgelegen gebieden heen aangelegd, bomen worden gekapt. Maar onze innerlijke wildernis, daar kunnen we nog wel naar toe. Via ons lichaam.

In zijn boek geeft Ray allerlei aanwijzingen en oefeningen om minder in je hoofd, en meer 'in je lichaam' te zitten. Zo kunnen we het lichaam weer aan het woord laten, de oerdriften van onze innerlijke wildernis terugvinden, en trouw blijven aan de aarde zoals Nietzsche zei. We moeten verlichting niet zozeer zien als iets wat we kunnen ervaren met onze geest, zegt Ray. We moeten het zien als iets wat we kunnen aanraken met het lichaam. Zo keren we net als de bosyogi's huisje-boompje-beestje steeds opnieuw de rug toe, en geven we het oerwoud weer de plek die het toekomt.

Bron: Zensor 52, voorjaar 2011
(nieuwsbrief Zen Centrum Amsterdam)

 

afsluiting

 

gerelateerde trefwoorden