God van Augustinus
Augustinus' lofzang op God's wonderlijkheid.

Gij verandert uw werken,
maar Gij verandert niet uw raadsbesluit;
Gij neemt op wat Gij vindt
en Gij hebt nooit iets verloren;
nooit lijdt Gij gebrek
en Gij zijt blij met winst;
nooit zijt Gij hebzuchtig
en Gij eist rente met woeker;
meer dan het verschuldigde wordt U betaald,
zodat Gij schuldenaar wordt,
en wie bezit iets dat niet van U is?
Gij betaalt schuld,
zonder iemand iets schuldig te zijn;
schuld scheld Gij kwijt,
en Gij verliest er niets mee.
Wat hebben we met dit alles gezegd,
mijn God, mijn leven, mijn heilig hartsverlangen?
Of wat zegt iemand wanneer hij spreekt over U?
Toch wee degenen, die zwijgen over U,
want rijk aan woorden zijn zij stom.
L. Janssen: Augustinus-brevier. Leuven, z.j., p. 44
Illustratie: Hulton archive, Getty
> MEER van Augustinus

Eckhart Tolle
Interessante toelichting van Eckhardt Tolle over zijn eigen ervaring met "je openen".
Augustinus brevier
Preek uit het Augustinus-brevier - voorgelezen tijdens het overleg van 19 augustus 2011.

Augustinus, in vol ornaat, als bisschop van Hippo. "Tolle, lege" betekent "Neem en lees" (Augustinus ervoer een doorbraak nadat hij na een lange geestelijke worsteling een kinderstem hoorde zingen “Neem en lees, neem en lees”.)
Ondervraagt uzelf zorgvuldig,
onderzoekt uw binnenste goed.
Ziet toe en let eens op
wat gij aan liefde in u hebt;
en wat gij er aantreft
doet dat toenemen.
Let goed op die schat,
om innerlijk rijke mensen te worden.
Wilt gij de liefde bezitten
dan moet gij uzelf zoeken
en dan moet gij uzelf vinden.
Wat schrikt gij toch terug
om u te geven,
uit vrees uzelf kwijt te raken?
Ja, als gij u niet geeft,
verliest gij uzelf.
Het is de liefde die u toespreekt
bij monde van de Wijsheid,
en zij heeft u iets te zeggen.
Gij moet dus niet terugschrikken
voor dat gezegde:
"Geef uzelf".
Luister wat de liefde u zegt
bij monde van de Wijsheid:
"Schenk Mij uw hart, mijn zoon".
"Schenk Mij", zegt zij.
Wàt geven?
"Schenk Mij, mijn zoon, uw hart".
Het was er slecht aan toe,
toen het van uzelf was,
toen het voor uzelf was.
Gij werdt immers door minderwaardigheden
en door bedenkelijke en verderfelijke liefde
meegetrokken.
Haal uw hart daar vandaan!
Waar brengt gij het naar toe?
Waar geeft gij het een plaats?
"Schenk Mij", zegt de Wijsheid, "uw hart".
Laat het Mij toebehoren,
en het gaat niet verloren voor u.
Zie eens of Hij iets in u
heeft willen achterlaten,
waardoor gij van uzelf kunt houden,
Hij, die gezegd heeft:
"Gij zult de Heer uw God beminnen
met geheel uw hart, geheel uw ziel
en geheel uw verstand".
Wat blijft er over van uw hart
om uzelf te beminnen?
Wat van uw ziel?
Wat van uw geest?
"Met geheel uw hart", zegt de Heer.
Alles eist Hij van u,
die u gemaakt heeft.
Wees daarom niet bedroefd,
alsof er niets overblijft in u
voor eigen vreugde.
Gij zult opmerken en zeggen:
"Als God mij geen ruimte laat
om mijzelf te beminnen:
als mij wordt opgedragen
met het gehele hart,
met de gehele ziel,
en het gehele verstand
Hém te beminnen die mij gemaakt heeft:
hoe wordt mij dan in het tweede gebod opgedragen,
de naaste te beminnen als mijzelf?"
God dus beminnen uit geheel mijzelf,
en mijn naaste als mijzelf.
Hoe moet ik mijzelf beminnen?
Hoe moet ik U, God, beminnen?
Wilt gij horen hoe gij uzelf moet beminnen?
Juist doordat gij God bemint
met geheel uw wezen,
bemint gij uzelf.
Als gij God liefhebt,
gaat gij erop vooruit;
dan zult gij dáár zijn,
waar gij niet ophoudt te zijn.
Gij werpt natuurlijk op en zult zeggen:
"Wanneer heb ik mijzelf dan niet bemind"?
Ja, gij beminde uzelf niet,
toen gij God niet beminde
die u gemaakt heeft.
Toen gij dan uzelf haatte,
dacht gij dat gij uzelf liefhadt.
Toch is het zo:
"Wie de ongerechtigheid bemint,
haat zijn eigen ziel".
L. Janssen: Augustinus-brevier.
Leuven, z.j., p. 449
> MEER van Augustinus

Jerome Petersen
Hommage aan een begin dit jaar overleden informele, haast anonieme leraar in SFZC.

Of my three main Teachers, Chikudo Jerome Petersen was the wise one. Suzuki roshi named him “Chikudo,” meaning “Bamboo Hall.” I could see a beautiful green grove-like room, open to everyone. “Genki” the refreshing breeze, the healthful energy, wafting though. Privately, to myself I referred to him as Sage Jerome. He was my teacher for more than thirty-five years.
He was a big man, though his manner was amazingly soft. It was easy to ask a question of him. By contrast, to ask Baker-roshi any question, I’d have to gear myself up as if I was going to throw myself off a cliff or something. With Jerome, I could talk to him casually about anything. He was always available. His answers were usually succinct, just a few words. Yet, his short replies were so rich and resonant I began to think of them as Teisho’s (longer formal dharma talks).
I said to him one time, “I’ve been studying some of the Tibetan stuff lately, and noticed they say that impermanence is paired off with interdependence. When things are seen as pressingly interdependent they are relieved through awareness of impermanence, and when things are experienced as difficultly impermanent, they are relieved through awareness of interdependence.”
He said in his slow baritone, “Well—I think that, after all—impermanence is the main thing.”
I said, “The problem is, when I think of impermanence, I associate it with failure.”
And he said suddenly, “Oh, my boy, impermanence is success!”
—I can never repay him for that.
He was a consistently amazing resource. He’d just open things up in ways I’d never seen before.
Yet, if you ever saw Jerome and you only noticed his surface appearance, you might have even mistook him for a derelict. He was not the anal-retentive, battened down, pressed-collar kind of monk. He had food stains on his robes. He couldn’t get around easily and though he’d gimp and lumber on his way from place to place he was never late.
Toward the end of his life he’d starting to leak so his robes smelled like urine a little bit. But his mind was clear. He had an incredibly deep mind, especially for Zen questions.
Have you ever seen those Japanese movies where the sword-master would pluck flies out of the air with chopsticks? Jerome answered Zen questions like that. People didn’t know what to make of him. He didn’t quite fit anywhere. He didn’t even fit inside the monastery, exactly. Yet he was unperturbed. He was completely himself and utterly authentic. Among old-timers at Zen Center, he really had something that was off the scale. He was unconventionally brilliant all the time, without even trying to be.
I could ask Zen questions of him very casually, like, “Hey Jerome, is there anything that isn’t emptiness?”
And he suddenly boomed, “Emptiness!”
He didn’t hesitate. I have to laugh, because it was like hitting the bell with me inside it – Boinnng. ‘Emptiness!’ he said. He didn’t even hesitate.
Another time I inquired about Suzuki-roshi’s comment, “Even if the sun was to rise in the West, a Bodhisattva would only have one way.” “What is that Way?” I asked.
“That’s easy.” His voice was very soft. “Just turn toward the light.”
Ah, Jerome, you were always the medicine, the antidote of clarity and calm abiding.
The last time we met, it had been some time since I saw him. “I thought I’d never see you again,” I said. “That will never happen. No. You’d have to be blind for that to happen!”
Your kindness is endless. You will forever be the example to me of wisdom and courage.
Jakushu Gregory Wood; jan 29 2011
Bron: memorials.sfzc.org
Foto: The Ino's blog

Augustinus en de duivel
De strijd om waarheid.

Michael Pacher: Augustinus en de duivel, 1483 (Alte Pinakothek, München).
Niet alleen in de Christelijke traditie (Jezus zelf werd grondig beproefd) maar in álle spirituele en religieuze tradities speelt de strijd tussen goed en kwaad een centrale rol.
Zo heeft ook Boeddha - net als Augustinus, Franciscus, Juan de la Cruz en vele anderen - moeten afrekenen met de verleidende en bedreigende krachten van Mara, de personificatie van de dood en het kwaad (d.w.z. blind zijn voor de waarde van innerlijke werkelijkheid).
Boeddha tegen Mara: "Waar ik ben, kun jij niet zien; waar ik heen ga, kun jij me niet volgen; wat ik onderricht, kun jij niet bevatten, onverlaat."
Sherab Chödzin Kohn: De Boeddha; het verhaal van zijn leven. Cothen, 1993. p.80
Illustratie: T. van Bavel (red.): Sint-Augustinus.
Heverlee 2007, p. 180
> MEER van Augustinus

Augustinus
Citaten van een pionier in de christelijke traditie.

Augustinus schrijft zijn Belijdenissen, belaagd door duivels, gered door een engel (houtgravure, 16de eeuw)
Straks zeggen ze nog dat wij om het eeuwig leven God en om het huidige de duivel moeten dienen.
Deze toestand van zorgeloosheid [onbewustheid] is als de levensgevaarlijke slaapziekte van een oude man die voortdurend zegt: laat me toch slapen! terwijl de dokter zegt: hij mág niet slapen. En verwijt me nu niet: u maakt ons overstuur. Kan ik u geruststellen wanneer God dreigt? Ik ben toch maar de beheerder, niet de vader des huizes? Ge zegt: ik zal het later doen, morgen; wat verschrikt ge ons? Is ons dan geen vergiffenis beloofd? - Ja, vergiffenis is u beloofd, maar de dag van morgen is u niet beloofd.
God wil niet onze wil leren kennen - Hij kent hem al - maar ons inzicht oefenen en aldus onsverlangen zuiveren, opdat wij al overdenkende en in gebed formulerende beter weten wat Hij ons bereidt. Dat is zó groot, en wij zijn zó eng!
Profane en zelfs slechte gedachten komen bij voorkeur op onder het bidden, terwijl ge knielt. En toch, hoe kunt ge dat toelaten! Zou ik, die uw gelijke ben, niet gekwetst zijn als ge u midden onder een gesprek met mij plotseling zoudt opzijwenden naar een slaaf met een order, en mij laten staan? En zó doet ge dagelijks met God!
F. van der Meer: Augustinus de zielzorger.
Utrecht 1947 (p. 60, 138, 151 & 154)
Illustratie: Ed Schilders
> MEER van Augustinus

Noem me bij mijn ware namen
Gedicht van Thich Nhat Hanh

Noem Me Bij Mijn Ware Namen
Zeg niet dat ik morgen ga -
als zelfs vandaag nog komen moet.
Kijk naar me: elke seconde verschijn ik hier
om een knop aan een lentetak te zijn,
een vogel met nog tere vleugels
die in mijn nieuwe nest leert zingen,
om een rups te zijn in het hart van een bloem,
een juweel omgeven door gesteente.
Altijd nog kom ik hier om te lachen en te huilen,
te vrezen en te hopen.
Het ritme van mijn hart is het komen en gaan
van al wat leeft.
Ik ben de eendagsvlieg die van gedaante wisselt
op het water van de rivier.
En ik ben de vogel die een duikvlucht maakt
en verorber die vlieg.
Ik ben de kikker die vrolijk zwemt
in het heldere water van een vijver.
En ik ben de ringslang die stil nabijkomt
en voed me met de kikker.
Ik ben het kind in Oeganda, vel over knook,
mijn benen dunne stokjes.
En ik ben de wapenkoopman,
die dodelijk tuig aan Oeganda verkoopt.
Ik ben het meisje van twaalf,
een bootvluchtelinge die zich in zee stort
na door een zeerover te zijn verkracht.
En ik ben de zeerover,
wiens hart niet kan zien
en niet liefhebben kan.
Ik ben lid van het politbureau
met macht in zijn handen.
En ik ben de man die zijn bloedschuld
aan het volk moet betalen
en langzaam sterft in een werkkamp.
Mijn vreugde is als de lente, zo warm
dat de bloemen op de hele aarde ontluiken.
Mijn pijn is als een rivier van tranen,
zo onmetelijk dat zij alle oceanen vult.
Noem me daarom alsjeblieft bij mijn ware namen,
zodat ik al mijn huilen en lachen tezamen hoor,
zodat mijn vreugde en pijn één zijn.
Noem me alsjeblieft bij mijn ware namen,
zodat ik kan ontwaken
en de deur van mijn hart zal open staan,
de deur van mededogen.
Tekst:
Tanahashi, K. en Schneider, D.: Zencirkels. Amsterdam 1985
Wind Bell, Vol. XVII, nr. 1, San Francisco 1983, p. 45
Foto: http://www.wordwiseweb.com/AUSCHWITZ/auschwitz.html







