2001, 5 mei - interview
Limburgs Dagblad - interview met Ad van Dun.

"Zen is geen sociale aangelegenheid. Het is een persoonlijke weg. Als het tenminste werkelijk gaat om bevrijding en bewustwording. Daarom is het belangrijk dat je zo anoniem mogelijk mediteert, gewoon thuis in je eentje. Want ook de Boeddha zelf heeft zijn eigen weg gevolgd, zoals ieder van ons dat doet.
Al vrij vroeg, op mijn vijftiende, las ik filosofen als Kant, Kierkengaard en Nietzsche. Tamelijk rationeel en theoretisch spul. Waar ik naar zocht? Antwoorden op mijn levensvragen - in alle naïviteit. Ik ontdekte ook dat in de filosofieën uit het oosten meer gevoel zat en vooral veel meer praktijkwaarde. Een basisuitgangspunt van het boeddhisme luidt: leven is lijden. En het doel is dat lijden op te heffen.
Dat lijden kennen we allemaal. Het begint met onvrede, onrust. Die onrust kan de kleur van verwarring aannemen, of van conflict. Je voelt je gemangeld door de samenleving, of je zit vast in je vertrouwde omgeving. Je hebt een dierbare verloren, of je bent van je voetstuk gevallen. Maar lijden kan ook veroorzaakt worden door eenzaamheid of verveling. Of een diep verlangen dat niet vervuld raakt. Als je bewust bent van dat lijden en je weet zeker dat dát niet de bedoeling van het leven is, ga je vanzelf op zoek en neem je ook geen genoegen met antwoorden die niet blijvend zijn. Boeddha zei: De weg vindt u niet door naar de hemel te kijken, de weg vindt u in uw hart.
In mijn geval riep bijvoorbeeld de gezinssituatie in Hoensbroek vragen op, of de school waar ik leerde. Ik liep tegen een complex van dingen op waar trouwens ook veel jongeren in de huidige tijd mee te maken hebben. Eigenlijk zoek je naar jezelf. Dat zoeken ging bij mij dus gepaard met veel lezen.
Toen ik in de voormalige Atheneum-boekhandel in Maastricht werkte, kreeg ik een boekje van de zenleraar Shunryu Suzuki in handen. Daaruit begreep ik dat ik concreet moest gaan oefenen in plaats van boeken lezen. Dus begon ik thuis een beetje voor mezelf te klooien. In 1977 sloot ik me aan bij een zengroep in Brunssum, sindsdien ben ik blijven mediteren, me blijven verdiepen in zen en aikido, de Japanse gevechtssport.
Voor mij is het boeddhisme volledig in zen verweven, hoewel zen een van de vele boeddhistische scholen is. Boeddhisme is levend. Boeddhisme is geen vorm van wetenschap, maar een levenshouding. Je moet je eigen plek zien te vinden. Er is geen rationeel systeem; het boeddhisme is gericht op ervaring. Het is ook voortgekomen uit de ervaring van Boeddha en wat verder alle leraars daar vervolgens mee hebben gedaan.
De zengroep kwam bijeen in een nonnenklooster. Het was een goede mix tussen meditatie, oefeningen en yoga. Maar centraal stond za-zen, het zitten. Ik voelde meteen dat het goed was, dat ik ermee verder kon. Geen zweverige toestand, maar veel aandacht voor lichamelijke oefeningen. Ook niet vrijblijvend: je moest er voor kiezen en er echt energie in investeren. Vanuit die ervaring ben ik ook aikido gaan doen. Die lichamelijke aanvulling was goed voor mij. Ik had de neiging te veel met mijn hoofd bezig te zijn, was vaak niet echt aanwezig.
Zen is hard werken, confronterend vaak. Al zit je ogenschijnlijk alleen maar te zitten. Het is aandacht hebben, wakker zijn. Ik ben niet zo'n reiziger dus ik heb het niet met eigen ogen gezien, maar het is bekend dat er in de zenkloosters keihard wordt gewerkt. Het komt er op aan de moed te hebben om aan te gaan wat je aan moet gaan. En het meesterschap over jezelf bewerkstelligen, dat wil zeggen, het beheersen van alles wat je meemaakt, innerlijk en uiterlijk. Dat klinkt al snel romantisch. Maar zen is feitelijk niets anders dan antwoord vinden op de vraag: wie ben ik?
Na die groep ben ik gewoon doorgegaan. Van Zen meester Shunryu Suzuki die in San Francisco werkte, heb ik alle informatie verzameld. Hij is mijn grondleraar. De kracht van zijn klassieke boek Zen-mind, Beginner's mind is dat hij het typisch oosterse zen universeel herkenbaar maakt voor westerlingen. Suzuki was geen theoreticus. Hij leefde zen.
Ik probeer zo min mogelijk overbodigs te doen en daarin mijn hart te volgen. Een interessante uitspraak van Suzuki luidt: Als het niet nodig is om iets te doen, is het nodig om het niet te doen. Dat zet de zaken op scherp: elk ogenblik oog hebben voor de bedoeling. Van 1983 tot 1996 heb ik zelf zowel zengroepen als aikidogroepen geleid hier in Maastricht. Ik deed het waarschijnlijk primair voor mezelf, ik had blijkbaar iets te leren. En als anderen er iets aan gehad hebben, dan is dat natuurlijk des te beter. De laatste tijd dient zich opnieuw de impuls aan om een geschikte vorm te scheppen - er is zelfs al een heuse website, Prajna - om de weg te delen met geïnteresseerden.

Bij zen gaat het om de eigen oefening. Oefenen of mediteren betekent niets anders dan bewust aandachtig leven. De kwaliteit van het leven is het helderst bij het zitten. Hoe meer je dat ervaart, hoe betekenisvoller en dierbaarder het is. De hele crux van het leven is dat je steeds minder gaat doen - uiteindelijk worden we allemaal vanzelf wijs en stil. Ik probeer te leven zonder me afhankelijk te maken van condities. In zen spreekt men van leegte. Maar die leegte is eigenlijk de volheid van het leven. Menselijk lijden wordt veroorzaakt door conditionering. Zen beoefenen is een gelegenheid om dat te herstellen, om beperkingen los te laten. Zo vind je je ware identiteit, je eigen volheid. Buiten onszelf hebben we niks nodig om onszelf te zijn.
Voor een drugsverslaafde is het moeilijk te begrijpen dat je als niet-verslaafde kan leven. Wij mensen zijn verslaafd aan condities. Boeddha heeft het in dat verband over illusies: je werk, je relaties, je gewoontes, om maar eens wat te noemen. Dergelijke dingen gaan al snel een eigen leven leiden, met als gevolg dat je zelf niet meer de vrije baas bent over je eigen leven terwijl je daar wel je identiteit aan ontleent. Maar op zo'n oneigenlijke basis is het feitelijk onmogelijk om echt liefdevol te zijn en vriendelijk en op je gemak.
Op werkdagen mediteer ik elke ochtend en elke avond een uur. Als er verder niks te doen is, ga ik zitten. Echte vrijheid staat los van waar je mediteert. In een klooster mediteren kan weer een conditionering op zichzelf worden. Mijn grondintentie is: eerlijk zijn, open zijn, direct zijn, je hart volgen en dus moedig zijn, je niet afsluiten, helder zijn in de zin van: oog hebben voor elke situatie.
Als je vraagt wat het beeld van de Boeddha weerspiegelt, dan is dat voor mij de intentie die alle mensen delen in hun hart: vrij zijn en gelukkig zijn. Dat is ook de kern van za-zen, de zitmeditatie; maar dat is nauwelijks uit te leggen. Zitten reduceert je tot wat je bent. Het verwerkelijkt, letterlijk. Je oogschellen vallen af, je condities, je onrust, en je ervaart heel rechtstreeks en grondig hoe groot en wonderlijk het leven werkelijk is.
Of het boeddhisme een godsdienst is? In bepaalde opzichten kan het goed zijn om het boeddhisme niet tot de religies te rekenen - bijvoorbeeld als het gaat om eigen verantwoordelijkheid. Maar wat het christendom of de islam God noemt en het hindoeïsme het Zelf, dat is in het boeddhisme de Leegte, de essentie van wat we zijn. In de praktijk is daar geen enkel verschil tussen. Alle godsdiensten zijn eigenlijk wijsheidsscholen die zouden moeten leiden naar geluk.
De grootste uitdaging voor ons stervelingen is de dood. Als we de moed hebben om alles tegen het sterven af te zetten, dan vorderen we snel. Beseffen dat we dood gaan betekent: niets wegstoppen, niets compenseren - en in positieve zin: een kracht leren kennen die nog sterker is dan leven. Zitten in zen is vergelijkbaar met sterven. Heel letterlijk is za-zen een vorm van loslaten. Zoals je ook loslaat als je sterft. Op de poort van een beroemd Japans zenklooster staat de tekst: Als je je niet bezig houdt met de dood, heb je hier niks te zoeken. De dood is de grote leermeester op de achtergrond.
Dit soort materiaal zal wellicht niet echt boeien als je slechts uit bent op je natje en je droogje. Maar ieder heeft zo zijn of haar eigen weg. Het Tibetaans boeddhisme bijvoorbeeld staat momenteel in de belangstelling. Als je een energetischer benadering zoekt, klank en kleur, dan kun je daar terecht. Bij zen is het: alles of niets. Anders heeft het weinig zin. Een zenleraar geeft je ook niet zomaar een hand. Die grijpt je figuurlijk gesproken liever bij de strot of geeft je een schop onder je kont. Om je te testen.
Maar dergelijke anekdotes scheppen al weer te veel kleur, te veel opsmuk. Zen werkt het beste stilletjes, van binnen uit."
Limburgs Dagblad 5 mei 2001
Tekst: Emile Hollman; Foto's: Ron Esser






