Etymologie

Etymologische achtergrond van betekenisvolle of bruikbare woorden, in de brede context van spirituele oefening.


• AANVAARDEN

Aan-vaere = beginnen. Begin maken met tocht, proces, onderneming.

• ABSOLUUT

Van latijn absolvere: ab (weg)+solvere (losmaken), van se (apart, opzij)+luere (losmaken), idg. verwant met verliezen. Vergelijk ook absolutie (vergiffenis van zonden).

• ADEM

Ook asem; oudindisch atman (het zelf, de ziel).

• AMBITIE

Latijn ambo = rond & ire = gaan. Vergelijk: ambigu en ambivalent – voor meerdere uitleg vatbaar.

• ANDER

Een tweede; niet dezelfde. Oud-indisch antara; vergelijk nl. ‘anti’ (tegen), van oud-indisch anti (in tegenwoordigheid van; vergelijk nl. ant– in ‘antwoord’.

• ANGST

(vrees) oudhd. angust, oudfries onxt, latijn angor (angst, benauwdheid (vgl. angina pectoris), oudindisch amhas (angst); verwant met “eng”, zie aldaar. Zie ook “vrees”.

• ARROGANT

Van latijn ad + rogare: naar…vragen.

• ASCESE

Onthechting. Grieks asketes is zowel atleet als asceet: “iemand die oefent”. Van Indogermaanse basis die (weg)snijden betekent.

• BEDRIEGEN

(misleiden) Middelnl. bedriegen, naast driegen, oudhd. (bi)triogan, oudindisch druhyati (hij tracht te benadelen, is vijandig), druh (boze geest).

• BEDWELMEN

(benevelen, van zinnen beroven, misleiden) Van be + dwelmen (van zijn zinnen beroven), dwelm (flauwte, dwaas (d.w.z. verbijsterd van zinnen)). Verwant is oudeng. fordwielman (belemmeren, verwarren).

• BEELD

(afbeelding, voorstelling) er zijn slechts verwanten in het westgermaans: oudnederfrankisch bilithe, oudsaksich bilithi, oudhd. biladi; het woord is kennelijk samengesteld met be-, maar het tweede lid is onbekend.

• BELANG

(voordeel, belangstelling) Van verlangen, dus van lang, ver weg.

• BESCHIKBAAR

(ordenbaar, te ordenen) Van schikken(ordenen, regelen, bestemmen); middelnlschicken, een intensivum van schien; vergelijk geschieden, oudhd. (ge)scehan; iers scen (schrik), oudkerkslavisch skoku (sprong); de grondbetekenis is die van “een plotseling gebeuren.”

• BESEFFEN

(smaken, proeven, gevoelen, ondervinden, in zich waarnemen) Latijn: sapere = smaken, proeven, inzicht hebben; frans: savoir = weten. Engels: savvy = gesnopen?
Besef: oudhd. intseffen (inzien); oudeng. sifa (zin, gemoed);

• BEWAREN

Waren = beschermen. Grieks horao: ik zie, ik let op.

• BEWEGEN

(van plaats veranderen, overwegen) Gotisch gawigan (schudden); van wegen (zwaar zijn, gewicht hebben); oud-engels wegan, latijn vehere (voeren, dragen). oud-indisch vahati (hij voert). Verwant: evenwicht, overwogen, wieg.

• BEWUST

Zie “weten”.

• BIDDEN

Oud-engels biddan = vragen (vgl. “to bid”); verbonden met gotisch baidjan: dwingen, eisen. Vergelijk “gebieden”; zie ook “bieden”, verwant met buddha.

• BIEDEN

(geven, aanbieden) middelnl. bieden (doen weten, gelasten, beloven), oudsaksich biodan, oudhd. biotan, oudeng. beodan, gotisch biudan; grieks peuthomai (ik krijg bericht), litouws budeti (waken), middeliers buide (erkentelijkheid), oudindisch bodhati (hij ontwaakt, wordt gewaar, komt weer bij) en buddha (de verlichte).

• BODHISATTVA

(verlichte die het verwerven van boeddhaschap uitstelt om anderen te helpen) oudindisch bodhi (verlichting), van bodhati (hij ontwaakt), idg. verwant met nl bieden + sattva (essentie, wezen, het zijnde), van sat– (zijnd, bestaand), idg. verwant met nl zijn.

• BOEDDHA

(een verlicht iemand) Oud-indisch bodhati (hij ontwaakt). Van de stam bud: ontwaken, open gaan (zoals van een bloem). Vergelijk het engels bud (bloemknop) en nederlands bot (knop).

• BRON

Verwant met brouwenbranden – grondbetekenis: zieden.

• CONDITIE

Latijn con-dicio = afspraak, overeenkomst, omstandigheid – verwant met hoogduits zeigen en nederlands (aan)tijgen.

• CRISIS

(keerpunt) Grieks krisis (onderscheid, beslissing), van krinein (onderscheiden, beslissen, beslechten), idg verwant met rein (gezuiverd, gescheiden, geschift). Vgl. hypocriet: hypo (= onder) + krinestai (iets betwisten, uitleggen), afkomstig van krinein.

• DEMON

(boze geest) Grieks daimon (goddelijke macht, geest van dode), verwant met dais (deel, portie), dainumi (ik deel uit), dus eig. die de mensen hun lot toedeelt. Verwant met Grieks demos (volk, land – vgl. demokratie) en Latijn dare (geven).

• DHARMA

(waarheid, werkelijkheid, wet) Van sanskriet stam drih: dragen. Dus: het dragende principe.

• DOEL

(mikpunt) middelnl. doel(e) (greppel, als grens tussen twee landen), schietbaan, gevecht, oudhd. tuolla (klein dal), waarnaast dola (greppel), oudwestfries dole (doel (bij schieten)), ablautsvormingen naast dal; de betekenisovergang van greppel, dal naar doel is verklaarbaar als men denkt aan de schietbaan met vóór het doel een loopgraaf.
Goal: mideleng. gôl (eindstreep, grens), oudnoors gil (ravijn), gr. cheilos (lip).

• DOEM

(oordeel, vloek) Van grieks themis (wet) en oudindisch dhaman (vgl. dharma – leer, wet, waarheid): basisbetekenis “plaatsen, (vast)stellen”.

• DOL

(krankzinnig, dwaas) Middelnl. dol, dul (dwaas, onnozel, gek), eng. dull (saai); verwant met dwalen. Buiten het germaans Grieks tholos (donker, ondoorzichtig vocht), oudiers dall (blind).

• DOOD

Verwant met dooien en verdwijnen (engels dwindle).

• DRAGEN

(ondersteunen, bij zich hebben) verwant met latijn trahere (trekken) (de betekenis heeft zich ontwikkeld van lasten voortrekken via opladen tot dragen). Het sanskriet dharma (waarheid, werkelijkheid, wet) is verwant met nederlands dragen: het dragende.

• DUIDEN

(wijzen, uitleggen) oud-eng. gediedan, oudnoors byda; afgeleid van een woord voor volk (vergelijk Duits); de betekenis is dus eigenlijk “voor het volk uitleggen”.

• DULDEN

Dragen (latijn: tollere), tillen. Verwant met “talent”, bepaald gewicht in waarde (goud); grieks thenai (dragen); oud-indisch tulayati (hij tilt).

• DUIZELEN

(draaierig worden) Oostfries dusen (draaien), oudnoors dusa (zich kalm houden), engels to doze (doezelen). Afleidingen: beduusd, dwaas.

• DWAAS

(zonder verstand) Nauw verwant met duizelen.

• DWALEN

(zwerven) Oudsaksisch fordwelan, oudeng. gedwolen (verkeerd); vergelijk bedwelmen.

• ECHT

(werkelijk) Middelnl. ewe (wet, huwelijk), oudhd ehaft (wettig); vgl. latijn aeguus (billijk).

• ENG

(nauw) oudeng. enge, gotisch aggwus, latijn angustus (nauw) (vgl. angina pectoris), grieks agchein (de keel dichtsnoeren), oudindisch amhu (nauw); verwant met “angst” (zie aldaar).

• ENTHOUSIASME

(geestdrift) grieksen (in) + theos (god); dus ‘in god zijn’.

• EPIFANIE

(openbaring, Driekoningen) grieks epiphaneia (verschijning), van epiphainein (laten zien, plots tevoorschijn komen), van epi (bij) + phainein (blijken, doen verschijnen, tonen). Zie ook Fantasie.

• ESOTERISCH

(geheim, innerlijk) Grieks eis = binnen, in. Esoterisch is vergrotende trap: meer naar binnen.

• EXISTEREN

(bestaan) Latijn existere (te voorschijn komen, ontstaan, worden, zijn, bestaan). Van ex (uit) + sistere (doen staan, in toestand brengen) en se sistere (zich vertonen). Van stare (staan), daarmee Indogermaans verwant.

• EXPERIËNTIE

(ervaring, ondervinding) Ex = uit, tot het einde toe; peritus = ervaren. Verwant: latijn periculum = gevaar.

• EXTENSIE

(verspreiden, uitbreiden) Zelfde kern als Intentie (zie aldaar).

• FAMILIE

(gezin, bloedverwanten) middelnl. familie (onderhorigen, gevolg, personeel, ook wel huisgezin, kudde); latijn familia (dienstpersoneel, huisgezin), van famulus, oudlatijn famul (dienaar, slaaf, knecht).

• FANTASIE

(verbeeldingskracht) latijn phantasia (gedachte, voorstelling); grieks phantasia (stralende verschijning, het zich voorstellingen maken), van phantazein (zich inbeelden), verwant met phanein (doen verschijnen). Zie ook Epifanie.

• FARCE

(dwaze grap, vulsel voor gevogelte) Latijn farsa (een klucht die in een mysteriespel is ingevoegd) en farcire (opvullen, iets ergens instoppen).

• FIGUUR

(gestalte, afbeelding) latijn figura (gedaante, vorm), verwant met fingere (vormen, beeldhouwen). Idg. verwant met “deeg” (kneedsel, mengsel), oudindisch dehmi (ik bestrijk, pleister)

• GEBEUREN & GEBOREN

Beide van de stam baren.

• GEDOGEN

Ook dogen (mededogen); hoort bij deugen (mededogen: “samen deugen”).

• GEEST

(ziel, onstoffelijk wezen) Oudhd. geist; eng. ghost; gotisch usgeisnan (verschrikken); woord voor geestesverschijning is hier gebruikt voor het christelijke begrip spiritus.

• GEHAVEND

(beschadigd) Werkwoord havenen betekent oorspronkelijk verzorgen, goed behandelen, schoonmaken; van grondbetekenis hebben (eng.: have) – geen relatie met haven. Gehavend is via betekenisverschuiving geworden: beschadigd, niet goed verzorgd.

• GELOVEN

(lof, lief) Oorspronkelijk: zich iets lief maken, je lief zijn, prijzen.

• GEMEEN

(gemeenschappelijk; vals) Oudhd. gimeini, oudeng. gemoene, eng. mean, latijn communis; ontwikkelde zich van algemeen over gewoon tot zonder waarde en slecht. Zie ook “menen”.

• GENIETEN

Oud-frankisch nieton: bezitten, gebruiken; litouws nauda: nut, bezit; lets nauda: geld.

• GENOEG

(voldoende) oudeng. genog, latijn nancisci (nactus) (vinden, krijgen, bereiken), grieks ogkos (last, massa), oudkerkslavisch nesti (dragen), hettitisch nakis (zwaar), oudindisch asnoti (hij bereikt).

• GENOEGEN, GENEUGTE

Van genoeg (zie aldaar).

• GETUIGEN

Van tijgen(zie Tuig).

• GEVAAR

(hachelijke toestand), van ge + vaere; oudhd. fara (arglist, belagen), oudeng. faer, fear (vrees, gevaar), gotisch ferja (belager), grieks peira (waagstuk) (vgl. ex-periment).

• GEWAARZIJN

(Ont)waren = waken.

• GEWELD

(uiting van macht, kracht) oudhd. giwalt, oudfries wald, weld, oudeng. geweald; afgeleid van middelnl. werkwoord walden, wouden (iets beschikken, regelen), gotisch waldan (heersen); verwant met latijn valere (sterk zijn); vergelijk ook duits (ver)walten (besturen) en bewältigen (beheersen, eigen maken).

• GEZAG/ONTZAG

Gezag = ge + zeggen (ge = samen, toe-; dus “verenigend zeggen”); vgl. sage (verhaal) en engels sage (een wijze).
Ontzag = (ont)zien, wegzien.

• GOD

Oorspronkelijk onzijdig (dus: het goddelijke), maar o.i.v. christendom mannelijk. Vgl. oudiers guth (stem).

• GOED

Van dezelfde basis als gade (passend bij). Russisch: deugdelijk; litouws: eer.

• HART

Oudhd herza, oudeng heorte, latijn cordia, grieks kardia, sanskriet hrdaya (vgl. de Hart-soetra = Hrdaya-sutra).

• HECHTEN

Oud-noors hefta: boeien. Latijn capere: vastpakken; daarvan is ook afgeleid: “capsule” (verpakking). Hechten is verwant met “hebben”, “heffen” en “hoofd” (Latijn: caput); vandaar “begrijpen” en “vatten”: hoofd is de “grijper”.

• HOUDEN

(hoeden, bewaken) Oorspronkelijk in de zin van vee hoeden.

• ILLUSIE

Latijn: in (in, naar, op in) + ludere (spelen). Dus: met iets spelen, bespotten, bedriegen.

• INTEGRITEIT

(integraal, integratie) Van latijn in-tangere (niet-raken, ongerept). Betekenis: rechtschapenheid, deugdzaamheid (goed-zijn; gezindheid ten goede).

• INTELLECT

Latijn: inter + legere (kiezen, verzamelen). Dus: keuze maken, onderscheid.

• INTENTIE, INTENS

(spanning, aandacht, wil, bedoeling, zorgzaam zijn (intendant)) Van latijn intendere: spannen (tendere) + naar (in). Samenhang met toon en tonicum (versterkend, grondtoon, beklemtoond). Grieks tonos: touw, band, spanning (teinein = spannen). Ook verwant: extensie (tendere + ex). “Intens” heeft dezelfde herkomst.

• INTERESSE

(belangstelling) latijn interesse (zijn tussen, deelnemen aan).

• KAPSONES

(koude drukte) Van jiddisch gawsones, afgeleid van hebreeus qa’awtanut (hoogmoed).

• KARAKTER

(aard; letter) middelnl. caracter (toverschrift, toverteken, letterteken) < latijn caracter (merkteken, tatoeage) < grieks caractèr (graveur, stempel, kenmerk), van charassein (scherpen, inkrassen). Dus karakter is: gekrast zijn.

• KARMA

(conditionering, spirituele wet van oorzaak en gevolg) Van sanskriet stam krih: handelen, doen. Dus: het gedane, het geconstrueerde. Vergelijk ook: creëren.

• KENNEN

(weten) causatief bij “kunnen” (zie aldaar)

• KERK

(bedehuis) oudeng. cirice, oudsaksisch kirika, van byzantijns-grieks kuriakos (van de heer), kurios (heer) en kuros (macht, gezag); vergelijk kyrie (liturgische smeekbede). Wellicht verwant met latijn curator (verzorger, leider); zie ook nederlands kuur (geneeswijze), van latijn cura (zorg, genezing).

• KUNNEN/KENNEN

(in staat zijn, weten) oudhd. kunnan, oudeng. cunnan; buiten het germaans latijn gnoscere, grieks gignoskein (leren kennen), oud-indisch janati (hij weet, jnana (kennis); prajna (voor-kennis, wijsheid). Het werkwoord kennen is een causatief van kunnen.

• KWELLEN

(1. pijnigen; 2. zwellen, opborrelen) Verwant met grieks ballein (werpen) en oud-indisch galati (hij druppelt).

• LEVEN

(niet dood zijn) Gotisch liban; vgl. blijven (voortgaan te bestaan): gotisch bileiban. Verband met oerbetekenis van “blijven”: “vettig zijn”, dan via “plakken” naar “blijven”. Voor “vet zijn” vergelijk oudindisch limpati: “hij smeert in”.

• LIEF

(begeerlijk, waardevol, verlangenwekkend) Verwant met libido.

• LIJDEN

(gaan, ondergaan, doorheengaan, verduren, dulden, verdragen) (zie ook Passie en Verdriet); verband met verleden en met overlijden.

• LIJF

(lichaam) Oudhd lib; ablautend bij het werkwoord “leven”.

• MEDICIJN

Verwant met modus (manier) en maat; zie “meten”.

• MENEN

(bedoelen, denken) Oudhd. meinene, oudeng. moenan, eng. to mean. Zie ook “gemeen”.

• METABOLISME

(stofwisseling) Grieks metabolè (het omgooien van het zeil; verandering), van meta (naar, achterna) en ballein (werpen) dat verwant is met hoogduits quelle (bron) en nederlands kwelder: zie ‘Kwellen’.

• METAFOOR

Overdrachtelijke uitdrukking. Van grieks metaphorein = naar elders wegbrengen; meta = naar, pherein = dragen, verwant met baren.

• METEN

(een maat bepalen) oudhd. mezzon (matigen), gotisch miton ((be)denken), latijn meditari (overwegen), grieks, medesthai (bedenken), oudiers midim (ik oordeel).

• MYSTIEK

(geheim) Van grieks muein = sluiten (lippen), zwijgen (vergelijk sanskriet muna: wijze). Myste = ingewijde.

• NOBEL

(edel) latijn nobilis (bekend, vermaard, edel), van noscere (leren kennen, (h)erkennen), verwant met grieks gignoskein (leren kennen); zie “kunnen” en “kennen”.

• OBSESSIE, OBSEDEREN

(geheel in beslag nemen) frans obséder (hinderen, ergeren, lastig vallen), latijn obsedere (bezet houden, zitten op, belegeren, blokkeren in beslag nemen, op iets loeren), van ob (naar iets toe, tegenover) + sedere (zitten, zich neerleggen).

• OEFENEN

(door herhaling bekwaam maken) latijn opus (werk), operari (werken)

• OORDEEL

(mening) Middelnl o(o)rdeel (uitspraak, vonnis), oudhd urteil, oudeng ordal (godsoordeel) van werkwoord adoelan (afscheiden). Van oor + delen in de betekenis ‘toewijzen’. Oor = oer, oorspronkelijk. Oordeel is dus “oorspronkelijk toewijzen”.

• ONNOZEL

(onschuldig, dom) midderlnl. onnosel (onschuldig, zachtmoedig), van on + nosel, van nosen (schaden, leed doen); mogelijk van ofwel latijn nausea (zeeziekte, walging, afkeer), ofwel van latijn nocere (schaden)

• ONTVANGEN

Vangen = verbinden, voegen. Ont-vangen = loslaten. Engels re-ceive: re = back; ceive = take. Dus: terugnemen, of terugkomen van nemen, d.w.z. ontvangen.

• ORGAAN, ORGANISCH, ORGASME

Net als “orgel” (middelnl. organe, orgale) afgeleid van latijn organum en grieks organon (werktuig), van grieks ergein, werken; “organisch” is dus “werkzaam”.
Vgl. ook “orgasme”, van grieks organ (vol sap, vol hartstocht zijn), van orgè (temperament, stemming, aandrift).
Vgl. ook “orgie”, van grieks orgia (heilige handeling, godsdienstplechtigheid, i.h.b. die welke betrekking hebben op Dionysus).

• PASSIE

Van Latijn passio (het lijden, gemoedsaandoening) en Grieks paschein: lijden (vgl. “Pasen”; afkomstig van Aramees pasha; vgl. Hebreeuws pasah = hij ging voorbij; denk ook aan “pas”, een schrede). Andere verwante afleidingen: “pathos”, “patiënt”, “patience” (Eng: geduld = dulden van lijden), “passief” (voor aandoeningen vatbaar).

• POEN

(straf, boete; geld) Wellicht verwant met sanskriet punya (verdienste), karmisch gedevalueerd tot straf. Vergelijk ook: penitentie (boete) penibel (pijnlijk). Engels punish (straffen) en penalty (boete), frans peine (moeite, straf, leed), latijn poena (straf) en grieks poinè (weergeld, boete, straf).

• POËZIE

(dichtkunst) Grieks poiesis (het maken, het scheppen van voorstellingen). Van poiein (maken).

• POREUS

(met poriën) < latijn porus (doorgang, porie), < grieks poros (voorde, veer, uitweg), verwant met latijn per (door…heen); indogermaans verwant met nl varen (over water gaan; oudindisch parayati: hij brengt over)

• POTENTIEEL

Van latijn potens, posse = zich meester maken van, bezitten – van potis = in staat, machtig.

• PRAJNA

The word Prajna is Sanskrit for “wisdom” and is a combination of pra, meaning “before”, and jna, meaning “to know”. From the same combination, the Greeks got pro-gnosis. But while the Greeks referred to the knowledge of what lies before us, namely the future course of events, the Buddhists of ancient India referred to what comes before knowledge. Shunryu Suzuki called it “beginner’s mind”.

(Red Pine: The heart sutra; the womb of buddhas. Emeryville 2004, p. 28)

• PREDIKEN

(verkondigen) latijn praedicare, van prae (voor) en dicere (spreken, zeggen); dicere is verwant met tijgen, van grieks deiknunai (tonen), oudindisch disati (hij wijst, toont).

• PROBLEEM

Grieks: wat naar voren geworpen is – pro-ballein (werpen). Verwant met hoogduits Quelle en nederlands kwelder. Kwestie (queeste) en engels/frans question van latijn quaerare = onderzoeken, trachten te vinden.

• PROFEET

Grieks pro (voor) en phèmi (ik spreek). Verwant met “faam”, van latijn fateri (bekennen), vergelijk “confessie”; ook verwant met “fabel”, van latijn fari (spreken – door goden, orakels, zieners). Vgl. ook “profaan”: pro (voor) en fanum (heiligdom, tempel), dus degenen die zich buiten het heiligdom bevinden.

• PROFIJT

Latijn profectus (vooruitgang, resultaat) van pro-facere (voor-maken/doen), dus voor-het-maken, vooruit denken.

• RITUEEL

(volgens de rite) latijn ritus (godsdienstig gebruik, ceremonie, gewooonte); vgl. RITE (ritueel gebruik), verwant met grieks arithmos (getal); vgl. RITME (wisseling in beweging), van grieks ruthmos (lijn van melodie, maat, schone verhouding), van reo (ik vloei); indogermaans verwant met STROOM (bewegende massa), van oudindisch sravati (hij vloeit).

• RUST

Twee betekenisbronnen: “vredig” en “toegerust” – vergelijk de dubbele betekenis van het woord “uitrusten”.
“Geruststellen” is “moed geven”.
“Rustig” is “klaar”: vredig en moedig.

• SAMEN

Afgeleid van zamelen (bijeenbrengen). Latijn similis = gelijk; grieks homos = eender; oudiers som = zelf; oudindisch sama = gelijk, dezelfde.
Vergelijk sanskriet (oudindisch): samadhi (from sam (together or integrated), a (towards), and dha (to get, to hold)); samsara (from samsr, to flow together, to go or pass through states, to wander; one who is subject to Samsara is called a samsarin); Anuttara Samyak Sambodhi = “Hoogste, weergaloos volmaakte verlichting”: geen hoger (uttara = hoger), geen ander (samyak van sama = gelijk, zelfde), geen wijziging (sam ook van sama).

(Edward Conze: Buddhist wisdom books;
the diamond and the heart sutra. London 1988)

• SCHEPPEN

(putten & creëren) oudhd. scepfen, evenals “schepel” afgeleid van “schap” (rek, plank, vat) (oudhd. scaf (vaatwerk voor vloeistoffen). Vergelijk ook engels shape (vorm) en oudnoors shap (aard, vorm).

• SERUM

Van Dale: bloedvloeistof, wei; inwendig afgescheiden stof. Oudindisch sarati = hij snelt, hij stroomt. Grieks hormè = aandrang; horman = in beweging zetten (hormoon).

• STERVEN

(doodgaan) Vgl. eng. to starve; latijn torpere; grieks sterphnios (stijf). Grondbetekenis: stijf worden.

• STIL, STILTE

(roerloos, geruisloos, bedaard) middelnl. stillen (tot kalmte brengen); grondbetekenis: “onbeweeglijk, vaststaand”; een naaste verwant van steel (stengel), stellen (plaatsen) en staan (overeind zijn); vergelijk nederlands stellig (zeker) en oudiers tou (ik ben).

• TEKEN

(blijk, merk) Vgl. middelnel. tien, tyen, tihen (iem. aanklagen), verwant met latijn dicere (mdedelen). Grieks deiknumi (ik wijs aan), verder nl. betichten, hd. zeigen.

• TRANS-/TRANCE

(trans-= aan gene zijde) Van latijn trans: aan de overkant van, over, over…heen; oudindisch tiras; avestisch taro; welsh tra.
Trance = toestand van gewijzigd bewustzijn. Van latijn transire = overgaan, oversteken, sterven; van trans + ire = gaan.

• TRANSCENDENT

(bovenzinnelijk). Van latijn transcendere: naar iets anders overklimmen, overschrijden, passeren. Van trans (over) + scandere (klimmen, opstijgen).

• TROTS

Afgeleid van tarten (prikkelen, uitdagen, tergen).

• TROUW

Verwant met engels true. Welsh: drud (sterk). Oudindisch: druwa (stevig, zeker). Vergelijk ‘Dur’ (majeur), van latijn durus (hard); komt ook terug in druïde (lett.: stevige weter).

• TUIG

(Voertuig, werktuig; ook: getuigen) Van tijgen (trekken, beginnen); middelnl. tiën (vergelijk nl. betijen); verwant met latijn ducere; is dooreengelopen met een ander werkwoord middelnltiën (verkondigen, beschuldigen; vergelijk nl. aantijgen); latijn dicere (zeggen); oudindisch dishati (hij wijst, toont).

• TWIJFEL

Net als het woord twist, is twijfel afgeleid van twee; oudindisch dva.

• VEEL

(een groot aantal) Van dezelfde basis als vol.

• VERDRIET

(weerzin hebben, moeite, bedreiging voelen) Zie Lijden.

• VERGETEN

(niet meer weten) van ‘ver-‘ (in negatieve betekenis) + een werkwoord voor ‘krijgen, beetpakken’ (eng.: to get); ‘vergeten’ is dus ‘niet krijgen, kwijtraken’.

• VERLANGEN

Langer maken, uitstellen; onpersoonlijk: lang vallen.

• VERRASSEN

Van ras, dus: te vlug af zijn, overrompelen

• VERTROUWEN

Verwant met engels true. Welsh: drud (sterk). Oudindisch: druwa (stevig, zeker).

• VERVELEN

(niet boeien; teveel zijn; onaangenaam zijn) Van veel.

• VIEREN

(het heiligen van een feestdag, rust nemen) Vieren van = ophouden met; in overgankelijke zin: laten rusten, laten varen. Van latijn feriari (uitrusten) en feria (feest). Verwant met festus (feest). Latijns festa is oorspronkelijk plechtig, vgl. oud-latijn fanum: heilige plaats; feest komt van dezelfde idg. basis als grieks theos (god).

• VOELEN

Vermoedelijk te verbinden met Latijn palpari (strelen), Grieks psallein (aan iets trekken, tokkelen).

• VOL

(gevuld) middelnl. volle, vul, oudeng. full, latijn plenus, oudindisch purna; verwant ook met veel.

• VOORWAARDE

(voorafgaande afspraak, waarschuwing) Waarde houdt verband met bewaking (vgl. deurwaarder, waarborg).

• VREDE

Hoort etymologische bij “vrij”.

• VREES

(angst) oudnederfrankisch freisa (ondergang), oudsaksisch fresa (gevaar), gotisch fraisan (op de proef stellen); mogelijk verwant met “gevaar”, zie aldaar.

• VRIJ

(niet belemmerd, onderworpen of bezet) Gotisch freij; welsh rhyddoud-kerkslavisch prijati (zorgen voor); oud-indisch priya (eigen, geliefd); de oorspronkelijke betekenis is “eigen”, dan “geliefd”, gebruikt voor familie en vrije stamgenoten, in tegenstelling ot slaven, en daardoor “vrij”.

• WAAN

Van latijn vanus: ijdel, leeg. Variant: “wan-” (betekent: verkeerd), bijvoorbeeld “wantrouwen”.

• WAAR

1. koopwaar; vgl. “Waren, 2”: wat men verzorgt, bewaart.
2. echt; latijn verus; grieks èra (waarlijk); oudiers fir; oudkerkslavisch vèra (geloof).

• WAARNEMEN

Ware (hoede, bewaking) nemen; vgl. waarschuwen.

• WAARSCHUWEN

Opmerkzaam maken op wat vrees inboezemt.

• WAKEN

(niet (gaan) slapen) Oudengels wac(i)an; gotisch wakan; latijn vigil (waakzaam), vigere (levendig zijn); oudindisch vajas (kracht, snelheid), vajra (Indra’s bliksem).

• WANEN

(verwachten, menen, geloven aan) Verwant aan wonen (ergens graag vertoeven), dat weer verwant is aan wonne (genot) en gewinnen (winnen, bereiken).

• WAR

Strijd, verwarring (frans: guerre).

• WENNEN

(gewoon raken) oudhd. winne, oudnoors vin, gotisch winja(weide) (vgl. wonen). Zie Wonen, Winnen en Wens; alledrie de termen zijn te herleiden tot het oudindisch begrip vanati of vanoti. Wennen is dus vooral liefhebben, verlangen.

• WENS

(verlangen) oudhd. wunsc, latijn venus (liefde), oudiers fine (verwantschap), oudindisch vanati (hij heeft lief, begeert).

• WAREN

1. zwerven, wandelen; van basisbetekenis waaien.
2. bewaren, zorgen voor, op iets letten, behoeden.

• WERELD

Middelnl. warelt (eeuwigheid, heelal, de aarde, de mensen); oudeng. weorold, oudhd. weralt.
Het eerste lid is weer (man), zoals in weerwolf: gotisch wair (man), latijn vir (man), oud-indisch vira (held, man met bijzondere vermogens).
Het tweede lid is Gotisch alds, middelnl. oude (leeftijd).

• WERKELIJKHEID

(realiteit) van werken, middelnl. werkelijcheit (werkzaamheid, het zich bezighouden met aardse, d.w.z. in godsdienstige zin uitwendige werken der deugd, i.t.t. de innerlijke werken van de geest). Van grieks ergein, werken; zie ook “orgaan”.

• WETEN

Oudnederfrankisch witon, gotisch witan, oudnoors vita; buiten het germaans latijn videre (zien), grieks oida, oudkerkslavisch vede, oudindisch veda (ik weet). Verwant met “weten” zijn o.a. druïde, wijten en wet. Afleidingen: wijs, wis (zeker).

• WIJDEN

(zegenen, besteden) Komt voor in Weihnachten en wierook; gotisch weihs (heilig), oudeng. wich (godenbeeld), oudnoors ve (tempel). Van dezelfde basis als weeg (wand), waarbij gedacht moet worden aan het heilige gebied van de eredienst, afgesloten voor het volk, zoals ook in tempels.

• WIJZEN

(aanduiden (met de vinger)) oudhd. wisen, oudnoors visa (tonen); afgeleid van wijs (verstandig), dat oorspronkleijk “wetend” betekende, dus: wetend maken.

• WINNEN

(overwinnaar zijn, verwerven) middelnl. winnen (zich inspannen, door moeite verkrijgen, verwekken), oudeng. winnan, gotisch winnan (lijden), latijn conari (proberen), grieks egkonein (ijverig bezig zijn), oudindisch vanoti (hij verwerft zich, overwint).

• WONEN

(gehuisvest zijn) oudnoors una (tevreden zijn), gotisch unwunands (bekommerd), latijn venus (liefde), oudiers fonn (genot), oudindisch vanati, vanoti (hij bemint); de grondbetekenis van ‘wonen’ is dus: ergens graag vertoeven.

• WOORD

(klank met eigen betekenis) latijn verbum, grieks eirein (vergelijk ironie: praten om zich van de domme te houden), oudkerkslavisch rota (eed), oudindisch vrata (gelofte).

• ZEGEN

(blijk van gunst) Van latijn signum (teken, bewijs, voorteken, wonder); verwant met sein (teken) en zegel (stempel, relief, afdruk, merkteken). Vergelijk ook engels sign en frans signe.

• ZIN

Komt voor in zingeving; zin hebben in; gezindheid; zintuig; gezin. Grondbetekenis van zin: richting. Gezin = reisgezelschap. Zinvol = gericht op doel.

• ZORG

(toewijding; ongerustheid) Verband met oudindisch surksati (hij bekommert zich om), wellicht ook met iers serg (ziekte), litouws sergu (ik ben ziek) en oudkerkslavisch sragu (angstaanjagend).

Bron: Van Dale: Etymologisch woordenboek.
Zwolle 1991
.